Tanzania, volledige naam “Verenigde Republiek Tanzania”, is een onafhankelijk land in Oost-Afrika en grenst aan Congo-Kinshasa, Rwanda, Burundi, Oeganda, Kenia, Mozambique, Malawi en Zambia. Het is een republiek met een federale structuur (Tanganyika en Zanzibar). De naam Tanzania is een samentrekking van de eerste drie letters van beide delen van de federatie: Tan – Zan – ia. De officiële hoofdstad is Dodoma, maar de voormalige hoofdstad Dar es Salaam huisvest nog vele regeringsinstellingen en ambassades. Andere belangrijke steden zijn Arusha, nabij de Kilimanjaro, Mwanza, Tabora en Zanzibar.
Tanzania is een van de armste landen ter wereld. De economie hangt vrijwel volledig af van de landbouw, dat zorgt voor 40% van het Bruto Nationaal Product, 85% van de export en voor 80% van het totaal aantal jobs zorgt. Topografische en klimatologische omstandigheden zorgen er echter voor dat slechts 4% van het totale landoppervlak van Tanzania geschikt is voor de landbouw.
De armoede van het land is geconcentreerd in de plattelandsgebieden, waar 87% van de Tanzaniaanse bevolking leeft. Er zijn nu meer dan 11,4 miljoen Tanzanianen die leven onder het bestaansminimum, een groot deel van hen is een ouder persoon. Momenteel is een kleine 6 % van de bevolking ouder dan 60. Tegen het jaar 2050 zal hun aandeel in de bevolking rond de 11% liggen.

Tanzania is dertigmaal groter dan België. De 37 miljoen inwoners spreken Swahili en Engels. Hoewel het land grotendeels erg droog is, leeft men er vooral van landbouw – dat wil zeggen: van het weinige wat het veld kan opbrengen. Meer dan 40% van de bevolking is chronisch ondervoed en 33% heeft geen vast werk en strijdt elke dag om te overleven. Gemiddeld verdient een Tanzaniaan dagelijks zo’n 65 eurocent. En dat is te weinig om een menswaardig bestaan op te bouwen. Armoede is dan ook het lot van het grootste deel van de bevolking.
Zo ook in het noordwesten van het land, in de regio rondom Kigoma, de stad aan het Tanganika-meer. Hier wonen zo’n anderhalf miljoen mensen; 300.000 onder hen zijn vluchtelingen uit de onrustige buurlanden Burundi, Rwanda en Kongo. Kigoma ligt wat in een uithoek van Tanzania. Daarom is de streek jarenlang door de overheid verwaarloosd. Hier is de armoede dan ook groter dan elders. De sloppenwijken van Kigoma zijn geen paradijs, laat staan voor kinderen en jongeren. Als er al scholen zijn, volstaan die niet voor alle kinderen. Je mag blij zijn als je maar met 50 in de klas zit. En dan behoor je tot de gelukkigen die onderwijs kunnen genieten: zij die er de tijd voor hebben én het schoolgeld kunnen betalen. Want een kind moet in de eerste plaats mee zorgen voor brood op de plank. Op het veld, of langs de weg. Het is een dagelijkse strijd om zich in leven te houden. Heel wat kinderen en jongeren hebben geen thuis en overleven op straat. Hun leven in de stad, of in een vluchtelingenkamp in de buurt onder de Afrikaanse zon, is beslist niet om jaloers op te zijn. Voor hen geen safari…
Bronnen: